Het maken van een handgemaakt keramiekstuk is een prachtig, traag proces dat veel geduld en liefde vraagt. Het begint allemaal aan de werktafel, waar de ruwe klei eerst stevig wordt gekneed. Dit is een cruciale eerste stap om alle luchtbellen te verwijderen, want een achtergebleven luchtbel kan er later in de hete oven voor zorgen dat het werkstuk barst.
Zodra de klei soepel en luchtvrij is, verhuist de bol naar de pottenbakkersschijf. Met natte handen en gerichte druk wordt de klei exact in het midden van de draaiende schijf gezet. Vanaf dat moment begint het vormgeven. Door de klei zachtjes op te trekken en met de vingers te sturen, ontstaat er langzaam maar zeker een unieke vaas, schaal of mok.
Na het draaien moet het werkstuk een paar dagen drogen tot het 'leerdroog' is. Het voelt dan stevig genoeg om te worden afgedraaid. Met speciale mesjes snijden we de overtollige klei weg en modelleren we de onderkant, zodat er bijvoorbeeld een mooie standring ontstaat. Eventuele oren voor een mok worden nu ook met de hand gevormd en secuur vastgezet.
Vervolgens moet het object volledig drogen voordat het voor de eerste keer de oven in gaat voor de 'biscuitbak'. Bij een temperatuur van rond de 950 graden verandert de kwetsbare klei in een keihard, maar nog wel poreus materiaal. Dit is het perfecte moment om het glazuur aan te brengen. We dompelen, gieten of penselen de vloeibare glasdeeltjes op het werk, wat na de tweede bakbeurt — de gladbrand op ruim 1200 graden — zorgt voor de uiteindelijke diepe kleuren en de waterdichte glanslaag. Als de oven na twee dagen eindelijk is afgekoeld, mag de unieke creatie de winkel in!